Drie jaar in Israël

Het is vier jaar geleden dat ik voor het eerst Israël en de Palestijnse gebieden bezocht. Ik was 20, het was de zomer voor mijn afstudeerjaar aan de hogeschool voor journalistiek in Tilburg. Ik werkte bij de Pathé, dronk bijna iedere avond pints in mijn favoriete Irish pub met mijn favoriete vrienden, bingewatchte Sons of Anarchy, ging naar hiphopshows maar vooral: ik deed onderzoek naar het Midden-Oosten, interviewde mensen die nog veel meer onderzoek hadden gedaan naar het Midden-Oosten en schreef over het Midden-Oosten voor ieder schoolproject. 

Die zomer ging ik voor het eerst als journalist naar het Midden-Oosten. Op een reis naar Egypte met mijn moeder (en Rotterdam-Zuid) na, was ik nooit in dat deel van de wereld geweest. Na twee dagen in het hippe, maar vooral dure Tel Aviv nam ik de bus naar de Westelijke Jordaanoever. Ik wilde het Arabisch dat ik tijdens mijn minor het schooljaar daarvoor had geleerd, uitproberen en goedkope falafel eten.

Diezelfde dag nog kwam ik erachter dat je na een half jaar Arabisch leren eigenlijk niets weet. Maar ik was er niet slechts om mijn Arabisch te oefenen en 6 shekel falafel te eten. Met Arabische bussen, sheruts (kleine taxibusjes) en onofficiële taxi’s kwam ik uiteindelijk bij het dorpje Susiya, in het zuiden van de Westelijke Jordaanoever. Het dorp – bestaande uit tenten, schapen en 300 inwoners – had recentelijk een waarschuwing van Israël gekregen om te verhuizen. En de inwoners weigerden.

Tijdens dezelfde reis bezocht ik de Palestijnse boerderij Tent of Nations, in de buurt van Bethlehem. Ik hoorde verhalen over Israëlische soldaten die Palestijnse olijfbomen vernielden, kolonisten die wegen blokkeerden met grote stenen, herdershonden doodschoten en zelfs vrouwen het ziekenhuis in sloegen.

Slechts een aantal dagen bracht ik daadwerkelijk door in Israël. De meeste Israëli’s die ik ontmoette tijdens mijn eerste bezoek aan het beloofde land waren soldaten en kolonisten, dus natuurlijk kwam ik na deze eenzijdige reis boos thuis. Ik was boos op Israël, op het onrecht dat de Palestijnen werd aangedaan.

Maar ik bezocht het gebied nog twee keer in het schooljaar dat volgde en bracht meer tijd door in Israël.  Na mijn afstuderen aan de hogeschool voor journalistiek verhuisde ik naar Jeruzalem. Ik studeerde aan de universiteit, volgde cursussen Hebreeuws en Arabisch en werkte uiteindelijk als producer bij de internationale Tv-zender i24NEWS.

In deze tijd leerde ik meer Israëli’s kennen. Ik ontmoette Israëli’s van mijn leeftijd die tijdens de intifada niet met de bus naar school durfde, Israëli’s met een posttraumatische stres stoornis door hun verplichte tijd in het leger, Israëli’s die familie hadden verloren door een terroristische aanslag. Zelf wende ik aan de verstikkende geur van traangas en het regelmatig afgaande luchtalarm en realiseerde me eindelijk dat niet alleen de Palestijnen onrecht wordt aangedaan.

Ik vind Israëli’s vaak onbeschoft en onnodig bot, ik word gek van de bureaucratie en een halve liter Goldstar zou geen 8 euro moeten kosten. Maar ik ben niet meer boos. In mijn drie jaar in Israël woonde ik ook vijf minuten van het strand, had ik voor 7 euro een checkup bij de tandarts en at ik wekelijks de lekkerste hummus van de wereld bij Abu Hassan in Jaffa. In een land waar iedereen opgroeit in angst en zelfs kinderen vaak al een oorlog hebben meegemaakt, is er ook een dagelijks leven. En dat dagelijks leven is best oké.

Nu ben ik terug in Nederland, waar de tijd lijkt stil te staan. Hoewel ik er wel laatst achter kwam dat De Tuinen nu Holland & Barrett heet, Parijs niet meer het populairste Nederlandstalige liedje is en kids elkaar nu ‘ouwe’ in plaats van ‘jonge’ noemen. Misschien staat de tijd hier toch niet stil, maar het is fijn dat Nederland er altijd is, zelfs als ik ergens anders ben.

Nederlanders vragen me vaak aan welke kant ik sta in het Israël-Palestina conflict. Het makkelijkste antwoord is dan: het is ingewikkeld. Hoe meer tijd je in investeert in Israël en de Palestijnse gebieden, hoe moeilijker het wordt om die vraag te beantwoorden.

Morgen verhuis ik naar Marokko. Ik denk dat mijn eigen verhaal – het verhaal van een wit, westers meisje uit een rijk, westers land dat kan studeren, werken en gaan waar ze wil – op dit moment niet zo belangrijk of interessant is. Daarom ga ik naar een nieuw land om daar de mensen te spreken van wie de verhalen op dit moment wel belangrijk en interessant zijn. En ik kan niet wachten om die verhalen met jullie en de rest van de wereld te delen.

Ik werd bitter en moe van Israël. Ik praatte de laatste maanden over het conflictgebied zoals ik vier jaar geleden andere correspondenten hoorde praten en waarbij ik toen dacht: maar er is nog zoveel te vertellen en er zijn nog zoveel nieuwe verhalen te maken! Dat denk ik niet meer. De wereld heeft een rare obsessie met Israël, iedere verslaggever wil hier wonen of komen wonen. Ik deel deze obsessie en zal die waarschijnlijk altijd blijven delen, maar toch is het tijd voor mij om plek te maken voor iemand anders. Iemand die niet bitter is en die enthousiast is over alle verhalen die nog verteld kunnen worden. Ik kijk ernaar uit om die verhalen – vanuit Marokko of waar ik uiteindelijk ook land – te lezen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *