Waarom die wrijving tussen journalistiek en moslims?

Jonge moslims zijn niet blij met de westerse journalistiek. Negatieve berichten en verkeerd woordgebruik zijn de grootste boosdoeners. Tegelijkertijd kiezen jonge moslims zelden voor een journalistieke loopbaan. Hoe zit dat? Kaja Bouman ging op onderzoek uit.

Op de Fontys Hogeschool voor Journalistiek val ik niet op. Blonde haren, blauwe ogen, een bril met breed montuur en Led Zeppelin-All Stars zijn daar niets bijzonders.

In januari zat ik nog in een klas waar ik wél opviel. Niet-bedekt haar en een blank huidje waren tijdens mijn minor Arabische Taal en Cultuur in Amsterdam bijna vreemd. Hier leerde ik veel jonge, Nederlandse moslims kennen. Moslims met stapels aan kritiek op de media. En ik – de enige niet-moslim en enige journalist – kon me niet verantwoorden. Dus kijk ik naar hun kritiek, de journalistiekscholen en de weinige islamitische journalisten.

Terroristen

Via Facebook ontmoet ik de twintigjarige Samira. We raken aan de praat. “De media zorgen ervoor dat wij moslims gezien worden als terroristen”, zegt de moslima. “Er is in onze samenleving al zoveel haat tegenover moslims en dat wordt door de media alleen maar erger. Wij moeten ons nu steeds gaan verantwoorden voor wat een andere moslim heeft gedaan, terwijl wij niets met terreurgroep Islamitische Staat of andere islamitische terroristen te maken hebben.”

Samira is nog geen enkel Nederlands medium tegengekomen dat opkomt voor de moslimgemeenschap. En daar baalt ze van: “De buitenlanders hebben Nederland helpen opbouwen en nu willen ze ons weer weg hebben, omdat de media een slecht beeld van ons creëren.”

Zelf behaalde Samira eerder al haar diploma als Medewerker Maatschappelijke Zorg. In september begint ze aan de opleiding Human Resource Management. Ik vertel dat als ik op mijn opleiding om me heen kijk, ik weinig tot geen moslims zie. En dat ook op redacties van grote nieuwsmedia moslims zwaar ondervertegenwoordigd zijn. Dat begrijpt Samira wel: “Waarom zou een moslim de journalistiek ingaan als je door de media bent bestempeld als kutallochtoon?”

Ook denkt Samira dat meer moslims in de journalistiek de problemen binnen de media niet zouden verhelpen. “Een islamitische journalist zou proberen meer positieve berichten over de moslimgemeenschap te maken. Maar laten we nou eerlijk zijn: hoeveel mensen zouden een islamitische journalist geloven?”

Haat in de samenleving

Op een zonnig terras in Rotterdam spreek ik af met Abdel Ilah Rubio. Ik ken hem van het Algemeen Dagblad, waar hij al achttien jaar werkt en ik twee jaar geleden stage liep. Rubio draagt westerse kleding, spreekt vlekkeloos Nederlands, maar zijn net iets donkerdere huid en al grijzende baardje geven weg dat hij van Marokkaanse afkomst is.

Al zijn hele leven is de journalist moslim. En ook als journalist herkent hij de kritiek op de media van de jonge Nederlandse moslims. “Ik ben de journalistiek in gegaan omdat ik me zo ergerde aan de manier waarop er werd bericht over allochtonen en moslims. Het was toen nog erger dan nu: er werden domme fouten gemaakt, verkeerde mensen aan het woord gelaten en er werd nooit wederhoor toegepast. Sjiieten en soennieten werden bijvoorbeeld door elkaar gehaald en een reactie van bijvoorbeeld de moskee in kwestie werd soms niet eens gevraagd. Dan las je: ‘was niet bereikbaar voor commentaar’, daar klopte niets van.”

Rubio kwam bij het Rotterdams Dagblad eerst terecht op een regioredactie, maar al snel stroomde hij door naar de stadredactie. Daar ging hij met onderwerpen rondom de multiculturele samenleving aan de slag. “Ik was jong, had veel idealen en was activistisch ingesteld. Ik wilde de berichtgeving rondom de multiculturele samenleving verbeteren en dat ging een tijdje heel goed. Mijn verhalen werden overgenomen door andere media en eindelijk was er meer positieve aandacht voor allochtonen en moslims.”

Maar er kwam een keerpunt voor Rubio met de opkomst van Pim Fortuyn. Deze politicus zag de islam als een bedreiging voor de samenleving en omschreef het als een ‘achterlijke cultuur’. “Je voelde ineens zoveel haat in de samenleving”, verzucht Rubio. Even is hij stil. Hij staart naar het lege ijstheeglas voor hem op tafel en vervolgt: “Ik dacht toen ineens: ‘het heeft allemaal geen zin, er verandert toch niks’, dus ben ik gestopt met multiculturele onderwerpen.”

Negatieve beeldvorming

“Het is dus helemaal niet zo raar dat jonge moslims sommige media als vijandig ervaren”, zegt de journalist. Volgens Rubio zien jonge, Nederlandse moslims een totaalbeeld. Zo maken zij bijvoorbeeld weinig onderscheid tussen een item van PowNed, een subjectieve en uitgesproken omroep, en een item van de NOS. Daarnaast speelt volgens Rubio ook mee dat er geen grote islamitische zender is. “Voor de christenen is er de EO, waar je nooit iets positiefs over de islam zal horen, maar er is geen tegengeluid. Veel journalisten van actualiteitenprogramma’s, zoals Pauw en vroeger Nova, hebben vaak ook vooroordelen. Dan verlies je als moslim uiteindelijk de moed.”

Maar wat gaat er nou precies mis in de berichtgeving? Rubio vertelt dat de berichten over de islam heel vaak negatief zijn. Ook het gebruik van bepaalde woorden zorgt voor een verkeerd beeld. Zo wordt het woord ‘eerwraak’ regelmatig gebruikt in artikelen waar ‘familiedrama’, ‘crime passionel’ of ‘verwarde man’ gepaster zou zijn.

Nauwelijks moslims op nieuwsredacties

Toch constateert de AD-verslaggever dat de berichtgeving genuanceerder aan het worden is . “Er is meer kennis dan vroeger, omdat er veel meer autochtone journalisten zijn die zich in dit onderwerp verdiepen. De berichten zijn daardoor inhoudelijk beter geworden.” Toch blijf de kritiek op de media volgens Rubio terecht. “Er worden minder domme fouten gemaakt, maar de berichtgeving rondom de islam is nog verre van perfect.”

Dat er nog steeds fouten worden gemaakt in de berichtgeving rondom de islam komt volgens Rubio onder andere doordat er nauwelijks moslims op de nieuwsredacties zitten.

Toch begrijpt de journalist dat ze er niet zijn: “Jonge moslims in Nederland kiezen eerder voor een opleiding waar je veel geld mee kunt verdienen. Je gaat de journalistiek in vanwege idealen, niet omdat je er rijk mee kunt worden. Om ergens voor te kiezen vanwege idealen moet je eerst een bepaald niveau van welvaart hebben bereikt. Veel ouders van allochtone jongeren hebben een laag inkomen. Deze jongeren kiezen daarom liever voor zekerheid en dat betekent een beroep als advocaat of dokter, want daar word je rijk mee.”

Werving allochtone studenten geen prioriteit meer

Van een van mijn docenten hoor ik dat onze vorige directeur werk heeft gemaakt van het werven van allochtone studenten. Oud-directeur Wiel Schmetz is nog steeds docent bij mij op school, dus stap ik zijn kantoor binnen. Hij vertelt me dat bijna twintig jaar geleden de overheid een ‘vijf procentnorm’ invoerde. Vijf procent van de studenten op de hogeschool voor journalistiek moest van allochtone afkomst zijn, om een goede afspiegeling te zijn van de Nederlandse samenleving. Hetzelfde gold voor de redacties, maar geen enkele organisatie kreeg het voor elkaar. “De redacties wezen naar ons. ‘Jullie leiden ze niet op, waar blijven ze?’ Dus moesten wij iets gaan verzinnen”, vertelt Schmetz.

De hogeschool besloot actie te ondernemen op middelbare scholen om meer allochtonen aan te trekken. Er werd een wervingsfilmpje gemaakt, ongeveer twintig jaar geleden, rond de tijd dat ik werd geboren. Dit is inmiddels zo lang geleden, dat het filmpje niet eens meer terug te vinden is.

Het wervingsfilmpje hielp niet. Fontys Hogeschool voor Journalistiek haalde de norm bij lange na niet en dus ging de directeur op zoek naar een andere oplossing. Schmetz: “De directie besloot toen dat we geen afspiegeling hoefden te zijn van de samenleving, mits we alle studenten opleidden tot journalisten die goed kunnen berichten over de multiculturele samenleving.”

Innovatie belangrijker dan multiculti

Er kwam een nieuw lesprogramma om de studenten op te leiden tot journalisten met veel kennis over de multiculturele samenleving. Na meerdere lokalen en stoffige kasten te zijn afgegaan, heb ik het boek van dat lesprogramma tevoorschijn gekregen. Oud-docent Huub Evers schreef ‘Naar een interculturele journalistiek – Beschouwingen over media en multiculturele samenleving’.

Inmiddels is het lesprogramma rondom de multiculturele samenleving uit het curriculum van de journalistiekschool verdwenen. In bijna drie jaar tijd heb ik nog nooit les gehad in hoe ik moet berichten over de multiculturele samenleving. Schmetz verklaart teleurgesteld: “We moesten plaatsmaken voor innovatie en technologie. Twintig jaar geleden was ook internet nog niet zo belangrijk. Het is zonde, maar zo gaat dat.”

Een journalist heeft geen status

Met gympen aan haar voeten, een bruine rugzak om haar schouder en een flesje water in haar hand loopt Oumaima Abalhaj de kantine in. Haar gezicht wordt omhuld door een zwarte hoofddoek die losjes naar beneden hangt en rust op haar schouders. Als één van de weinige moslims op de school waar ik studeer is zij een opvallende verschijning.

“Sinds ik kan praten, wil ik al journalist worden. Ik ben altijd al nieuwsgierig geweest, op zoek naar informatie en nieuws. De journalistiek zit echt ín me”, vertelt de islamitische journalist in spe. “Op alle redacties is een enorm gebrek aan de diversiteit, waardoor kennis rondom sommige onderwerpen ontbreekt. Ik wil de journalistiek veranderen.”

Maar Abalhaj wil niet alleen maar onderwerpen behandelen die met de multiculturele samenleving te maken hebben. “Ik wil niet in een hokje worden gestopt omdat ik een buitenlandse achtergrond heb. Mijn kennis is breder en ik wil dus ook met meer onderwerpen bezig zijn. De politiek in Nederland vind ik bijvoorbeeld ook heel interessant.”

Niet veel medemoslims denken hetzelfde over journalistiek als Abalhaj. De journalistiekstudente geeft hiervoor dezelfde reden als AD-journalist Rubio: geld. “Jongeren van mijn leeftijd studeren allemaal rechten of geneeskunde. Een arts of advocaat verdient nou eenmaal meer dan een journalist.” Maar er is volgens Abalhaj nog een reden: status. “Het is gewoon een feit dat een journalist geen status heeft. Een dokter heeft dat wel.”

Fouten bij NOS

In dezelfde kantine zit studente Nargis Hamdard te wachten op haar afspraak met een docent om haar afstuderen te bespreken. Een exotische naam, een donker huidje en een islamitische achtergrond hielden ook Hamdard niet tegen om journalistiek te sturen. In de Afghaanse cultuur waarin ze opgegroeide is het altijd normaal om dokter, advocaat of ingenieur te worden, geen journalist.

Toch koos de studente voor journalistiek. “Zelf heb ik de media nooit als heel negatief ervaren. Ik voelde me nooit aangesproken als het over fouten of misdaden van moslims ging, maar misschien ben ik naïef.” Er zijn situaties waarbij Hamdard zich stoort aan hoe de media ermee omgaan.

Tijdens haar stage bij de NOS liep ze hier regelmatig tegen aan. Ze noemt het voorbeeld van de piloot die in maart opzettelijk een vliegtuig in Frankrijk liet neerstorten. “Die piloot was geestelijk niet helemaal in orde, maar als hij moslim was geweest, was hij sowieso bestempeld als terrorist.”

Etniciteit noemen

Verder zijn het volgens Hamdard kleine fouten waar het misgaat, zoals het noemen van etniciteit waar dat niet nodig is.

Medestudent Hoessein Sabir sluit zich hierbij aan. Sabir is een slanke, Marokkaans uitziende jongen. Hij groeide op in een zwarte wijk in Limburg. Zijn vrienden uit die wijk hebben dezelfde kritiek op westerse media als ik hoor onder jonge moslims in mijn omgeving.

Waarom Sabir journalistiek is gaan studeren, begrijpen ze vaak niet. “Het zijn allemaal kleine fouten, maar ze maken samen een groot verschil”, zegt de student. Na zijn stage is Sabir bij de NOS op de buitenlandredactie blijven werken. Dagelijks loopt hij nog tegen de kleine fouten aan: “Waar ik me het meest aan stoor is dat wanneer het over iets negatiefs gaat, de bevolkingsgroep ‘Marokkanen’ of ‘Antilianen’ wordt genoemd. Maar zodra het positief is, zijn het ineens Nederlanders! Ik weet wel dat dat onbewust gaat, maar een buitenstaander weet dat niet. Ik kan het daarom ook niet bij buitenstaanders verantwoorden.”

Één woordvoerder voor alle moslims

Een andere fout die volgens Sabir regelmatig gemaakt wordt – niet alleen door de NOS – is het aan het woord laten van één woordvoerder om de hele moslimgemeenschap te vertegenwoordigen. “De moslimgemeenschap is zo divers, je kunt eigenlijk niet eens spreken van één gemeenschap. Het is daarom ook onmogelijk dat één woordvoerder alle moslims in Nederland kan vertegenwoordigen. Toch gebeurt dit door gebrek aan kennis bij de journalisten.”

Sabir vindt dat er meer islamitische en allochtone deskundigen aan het woord zouden moeten worden gelaten. En dan juist bij onderwerpen die niet met de islam te maken hebben. “Er zijn genoeg islamitische deskundigen die heel veel weten over andere onderwerpen. Het wordt tijd om hen terug te zien in de media.”

Selectieve berichtgeving

Maar er worden ook grotere fouten gemaakt, zegt Sabir. Hij geeft het voorbeeld van een moskee in Leiden die in februari werd bezet door een extreem rechtse actiegroep. Het incident vond plaats in de ochtend, maar rond twee uur ’s middags had de NOS er nog niets over gemeld. Er was toen hevige kritiek op sociale media van moslims die het belachelijk vonden dat dit nieuws door geen enkel medium werd opgepikt. De journalistiekstudent vindt het ook raar. “Stel je voor dat IS-aanhangers een kerk bezetten, dan was het toch breaking news geweest?”

Er worden fouten gemaakt, maar dit is niet de enige reden van kritiek, denkt student Sabir. Nog een aantal factoren speelt mee: “Ik ben zelf opgegroeid tussen de moslims en veel daarvan weten simpelweg niet hoe de media werken. Daarnaast zijn de mensen in zo’n gemeenschap heel gesloten. Als de NOS een item wil maken over iemand uit de gemeenschap, dan is dat heel ingewikkeld. Zelfs als de omroep een positief verhaal wil maken of een tegengeluid wil laten horen. De mensen hebben een slecht beeld van de NOS en vertrouwen het medium daarom niet. Dat maakt het voor journalisten ook heel moeilijk om het wél goed te doen.”

Sociale media dragen bij aan nuancering

Sabir vindt dat journalisten transparanter moeten zijn en ook moeten vertellen wat ze niet weten. Meer transparantie en meer kennis kan de situatie volgens de NOS-redacteur verbeteren. “De journalistiek is aan het veranderen. En waarschijnlijk zal het in de toekomst beter gaan. Dan zijn er meer mensen die écht opgegroeid zijn in de multiculturele samenleving en die niet alleen maar een ‘blank’ netwerk hebben zoals de journalisten nu.”

Ook sociale media zorgt voor een verandering in de journalistiek rondom de islam. “Via sociale media kan de NOS nu bijhouden wat moslims vinden, eerst wisten journalisten daar ook helemaal niets vanaf. Er wordt op gelet, de meningen worden besproken op de redactie: de journalistiek is al aan het veranderen, het zal alleen nog even duren en er moet moeite voor worden gedaan.”

De kritiek vanuit jonge moslims op de westerse media lijkt deels terecht. Er worden fouten gemaakt, maar het gaat ook beter dan vroeger. Journalist Rubio: “Wellicht zien we ze over twintig jaar allemaal terug in de journalistiek. Als de studenten die nu bedrijfskunde studeren rijke ouders zijn en hun kinderen opgroeien in welvaart, zullen die kinderen sneller kiezen voor journalistiek. We gaan het zien.”

Dit artikel verscheen eerder op Moslim Vandaag en De Nieuwe Reporter

Foto door Michal Svec

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *